De Zuid-Afrikaanse belevenissen van een avontuurlijk jonkheer

by Mickey Hoyle

Jonkheer Hendrik van de Poll en Aaltje van de Poll Ottens.


Vorige week hebben we kunnen lezen hoe jonkheer Hendrik van de Poll (1866-1947) in zijn autobiografie een kleine selectie had gemaakt van gebeurtenissen uit zijn vroege jeugd die tekenend waren voor zijn identiteit. Veel kon hij zich er echter niet van herinneren en ze namen dan ook maar één pagina in beslag. De rest van zijn memoires, die de periode 1888-1900 bestrijkt, is veel uitgebreider en biedt veel interessants.

Over Hendrik van de Poll is uit andere bronnen vrijwel niets bekend. In biografische woordenboeken komt hij niet voor, evenmin wordt zijn naam in de beschrijving van het familiearchief genoemd. Des te gelukkiger is het dat we beschikken over zijn autobiografie, die een schat aan informatie bevat over de periode tussen zijn tweeëntwintigste en drieëndertigste, toen hij in Zuid-Afrika woonde.

 

1886 van de H.B.S. af. Mama overleden. Kort daarna naar de Ruitenborg bij Dalfsen om iets van de boerderij te leren en het plan naar Zuid-Afrika te gaan.

 
Van de Poll had besloten het grote avontuur op te zoeken. Zijn archief bevat een aantal Zuid-Afrikaanse kranten uit de jaren 1880, waarin wordt bericht over de Boerenoorlog en de toestand waarin de Boeren waren achtergelaten. Net als andere Nederlanders meende Hendrik de Boeren te moeten helpen met de wederopbouw.

Op 9 januari 1888 vertrok Van de Poll vanuit Engeland per boot naar Zuid-Afrika waar hij een maand later, op 8 februari, aan zou komen. Een maand lang trok hij rond en deed verschillende plaatsen aan waar hij op goed geluk werk probeerde te krijgen, wat helaas niet lukte. In maart kwam hij aan bij Groot-Suikerboschkop, een grote boerderij nabij het huidige Dullstroom en de uitvalsbasis voor de Nederlandse kolonisten die de Afrikaanse economie en de Boeren wilden steunen na de geleden verliezen.

Hier maakte Van de Poll hij kennis met J.H. Janson jr., hoofd van de Emigratie Maatschappij, die tot doel had Nederlanders in Zuid-Afrika aan een boerderij te helpen. Zo ook de avontuurlijke jonkheer die in juni van dat jaar samen met een man genaamd Tenzeldam-Ganswijk naar ‘de compagnie’ trok, een deel van Groot-Suikerboschkop, om een boerderij te beginnen.

Toen Tenzeldam-Ganswijk echter besloot te trouwen met een ‘Afrikaanse mooie’ werd het tijd voor Van de Poll om te vertrekken en nam hij zijn intrek bij W.C. Janson, die met zijn Boeren Handelsvereenigingswinkel de spil vormde in de nederzetting Dullstroom, waar Groot-Suikerboschkop onderdeel van was. Hier verdiende Hendrik zijn eerste geld met het uitgraven van een sloot.

Op 5 december 1889 bracht Hendrik een bezoek aan Aaltje Ottens, die hij toen ten huwelijk vroeg. Hij beloofde tot 11 december te wachten met de benadering van haar vader, maar ongeduldig als hij was, vroeg hij reeds de volgende dag om Aaltjes hand.
 

Van toen af aan was het leven natuurlijk veel aangenamer. Ik begon, of was reeds begonnen, met de aanleg van de molen; op 10 januari 1890 werd de N.V. Hollandia opgericht, met mijzelf als directeur.1

 
Verder werd een deel van de aandelen gekocht door de beide heren Janson, jonkheer J.C. van de Poll en H. de Neufville, en ook door een aantal boerenverenigingen en de Zuid-Afrikaanse Republiek.2 De molen bleek echter een moeilijker onderneming dan hij had verwacht. De fundering was niet goed aangelegd, waardoor alles uit het lood stond en de molen meer slijtage ondervond dan normaal. Ook waren de dam en het aquaduct niet goed aangelegd en vaak lek, waardoor de molen niet naar behoeven kon draaien.
 

De N.V. Hollandia.


Intussen moesten Hendrik en Aaltje ook nog officieel trouwen, waarvoor de landdrost te Lydenburg toestemming moest geven. ‘Op een zekere dag’ vertrok Hendrik te paard naar deze landdrost, ene Janssen, die de datum van het huwelijk op 6 maart bepaalde. Maar toen Hendrik en Aaltje na een lange rit op 6 maart te Lydenburg arriveerden, bleek de landdrost niet aanwezig te zijn. Even leek het erop dat het huwelijk niet door zou gaan.
 

Onmiddellijk zond ik een telegram naar Pretorie aan Dr. Leyde, toen staatsprocureur: ‘Ben hier om te trouwen. Landdrost afwezig. Landdrost Klerk geen huwelijksbevestiger. Wat te doen. Van de Poll.’

 
De volgende dag was de zaak geregeld en konden Hendrik en Aaltje trouwen. Die avond nog reden ze terug naar Groot-Suikerboschkop waar het personeel van de molen een groot feest had georganiseerd. Na het feest werden Hendrik en Aaltje naar hun nieuwe huis gebracht: een klein bescheiden gebouwtje nabij de molen dat gemaakt was van ijzeren platen en van binnen met katoen was bekleed.

Op 23 februari 1891 werd hun eerste dochter, Cornelia Abrahamina, geboren. In november 1892 volgde een tweede, Aaltje Geertruida. Op 22 mei 1894 werd hun eerste zoon, Abraham Nicolaas geboren in het nieuwe huis waarvan de eerste steen was gelegd door Cornelia, met de woorden ‘Vies, kakka’.
 

Het nieuwe huis van Hendrik en Aaltje.



In 1893 werd de nederzetting Dullstroom door president Paul Kruger erkend als dorp, wat voor Van de Poll, de Jansons en de andere kolonisten een erkenning inhield van hun harde werk om de boerennederzetting uit te bouwen tot een welvarend dorp.

Toen de inwoners op 1 januari volksspelen hielden kwam het nieuws van de inval van de Britse Leander Starr Jameson, die zo een opstand van de Britse arbeiders in Transvaal wilde uitlokken. De dorpelingen vluchtten naar Pretoria waar zij tien dagen verbleven tot het nieuws van de nederlaag van Jameson kwam. Dit was echter niet het eind van de gevechten. In 1899 brak de Tweede Boerenoorlog uit waarin ook de jonkheer vocht. Halverwege de beschrijving van een van de veldtochten stopt de autobiografie en daarmee komt ook een eind aan de kennis die we hebben over het leven van jonkheer Hendrik van de Poll in Zuid-Afrika. In zijn memoires staan nog een aantal gebeurtenissen die ik wegens ruimtegebrek niet heb opgenomen in dit stuk. Wellicht passeren deze later nog eens de revue.

Uit het archief, dat zeer omvangrijk is, valt wel meer op te maken over de periode na Zuid-Afrika. Zo verruilde Hendrik de Zuid-Afrikaanse nationaliteit die hij na de oorlog had gekregen weer voor een Nederlandse en werd hij in Nederland bibliothecaris van de Abraham Kuyperstichting. Daarnaast hield hij zich bezig met de genealogie van de familie Van de Poll, waarvan twee handgetekende stambomen het resultaat zijn. Ook zijn er nog talloze brieven in het archief bewaard, die bij nader onderzoek ongetwijfeld meer informatie zullen opleveren. Niets is echter zo uitgebreid als zijn negen pagina’s tellende memoires die een uitzonderlijke blik gunnen in de Zuid-Afrikaanse belevenissen van deze avontuurlijke jonkheer.

De autobiografie is te vinden in het Stadsarchief van Amsterdam, archief van de Familie Van De Poll, inventarisnummer 1644.


 
1 Uit de statuten: ‘Het doel der vennootschap is a: het oprichten en exploiteeren van een molen voor het malen en pellen van granen en zaden en ter vervaardigen van bloem van meel en b: het drijven van een graan zaad en meelhandel.’ (Stadsarchief van Amsterdam, archief van de Familie Van De Poll, inv. nr. 1869).
2 Uit de archiefstukken blijkt dat er 400 aandelen waren uitgegeven op naam, en dus onverhandelbaar. Hendrik van de Poll bezat 310 aandelen, Jonkheer J.C van de Poll en H. de Neufville beide 20, evenals de Nationale Boeren Handelsvereeniging en de Zuid-Afrikaanse Republiek en de heren Janson jr. en W.C. Janson beiden 5 stuks.