<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	>

<channel>
	<title>Geschiedenis en Egodocumenten</title>
	<atom:link href="https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://history.mickeyhoyle.nl</link>
	<description></description>
	<lastBuildDate>Mon, 22 Feb 2016 13:24:11 +0000</lastBuildDate>
	<language>en-US</language>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.4.2</generator>
		<item>
		<title>DE KONING IS DOOD, LEVE DE KONING!</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=556</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=556#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 04 Jun 2013 08:37:55 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=556</guid>
		<description><![CDATA[&#160; Dood van den koning. Om drie uren stond aangeplakt dat Z. M. het in de nacht tusschen Vrijdag en Zaturdag had afgelegd. De verslagenheid was algemeen; men betreurde hem als een vader wiens bedoelingen waren geweest om de Nederlanders gelukkig te maken. &#160; Op 17 maart 1849 stierf koning Willem II na een kort [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/06/dood.jpg" alt="" title="dood" width="480" height="357" class="aligncenter size-full wp-image-585" /><br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p><strong>Dood van den koning.</strong><br />
Om drie uren stond aangeplakt dat Z. M. het in de nacht tusschen Vrijdag en Zaturdag had afgelegd. De verslagenheid was algemeen; men betreurde hem als een vader wiens bedoelingen waren geweest om de Nederlanders gelukkig te maken.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Op 17 maart 1849 stierf koning Willem II na een kort ziektebed. Zijn omgeving had al in februari opgemerkt dat het niet zo goed ging met de koning, maar na zijn laatste publieke verschijnen, op 13 maart, trok hij zich terug in Tilburg waar zijn toestand dramatisch verslechterde. Die vrijdag in maart overleed hij na een aanval van kortademigheid.<br />
&nbsp;<br />
<div id="attachment_570" class="wp-caption aligncenter" style="width: 422px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/06/willmII-stefbed.jpg" alt="" title="willmII-stefbed" width="480" class="size-full wp-image-570" /><p class="wp-caption-text">Willem II op zijn sterfbed.</p></div></p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
<p>&nbsp;<br />
Jan Boissevain – die hier reeds eerder werd opgevoerd vanwege zijn egodocument – was in 1849 dertien jaar oud en hield vanaf het begin van die maand trouw een dagboekje bij, iets wat hij sindsdien nog bijna twintig jaar zou volhouden. De jongen van dertien, die eigenlijk nooit een andere koning had gekend (Willem II kwam in 1840 op de troon, toen Jan vier jaar oud was), had in een zwart omrand kader in zijn dagboek de dood van de koning opgetekend. Binnen datzelfde kader schreef hij overigens ook dat hij die dag naar school ging, werkte, ‘las en kuyerde’ en die avond naar een ‘krans’ was gegaan.</p>
<p>De in Engeland woonachtige zoon van Willem II, Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk, volgde als Willem III zijn vader op. De relatie tussen de nieuwe koning en zijn vader was moeilijk geweest. Willem III was het oneens met de grondwetsherziening uit 1848, waardoor zijn vader zogenaamd ‘in één nacht’ de koers van conservatief in liberaal had veranderd. Hij ging zelfs zo ver dat hij schriftelijk afstand deed van de troon, iets wat hij later weer introk. Wellicht had hij dat beter niet kunnen doen, want erg geliefd bij het volk was ‘Koning Gorilla’ niet.<br />
&nbsp;<br />
<div id="attachment_576" class="wp-caption aligncenter" style="width: 410px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/06/Gorilla.jpg" alt="" title="Gorilla" width="480" class="size-full wp-image-576" /><p class="wp-caption-text">Koning Gorilla, zoals hij op de voorkant van het pamflet &#8216;Uit het leven van Koning Gorilla&#8217; stond afgebeeld.</p></div></p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
&nbsp;<br />
Willem III werd op 12 mei 1849 ingehuldigd. Net zoals afgelopen 30 april was de inhuldiging van een nieuwe koning een feest waar zo ongeveer heel Amsterdam voor op de been kwam, en alles in het teken stond van de nieuwe vorst. Op woensdag 9 mei ging Jan ’s avonds al kijken naar de versierselen die ‘reeds gemaakt waren voor den intogt van den koning’. De volgende namiddag ging hij met zijn ouders en zusje naar de Willemspoort (oftewel de Haarlemmerpoort) die met de vlaggen van Amsterdam en Oranje was versierd en waar veel mensen, ‘vooral gemeen volk’, waren samengeschoold ‘om den aankomst van de grenadiers en jagers af te wachten om een standje te schoppen, dewijl zij zich nog herinnerden dat deze bij eene vorige gelegenheid (in 1840) hen belet hadden om den koning van al te nabij te naderen’.<br />
&nbsp;<br />
<div id="attachment_575" class="wp-caption aligncenter" style="width: 310px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/06/willemspoort.jpg" alt="" title="willemspoort" width="300"  class="size-full wp-image-575" /><p class="wp-caption-text">Een tekening in het dagboek van Jan van de feestelijkheden bij de Willemspoort.</p></div></p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
&nbsp;<br />
Op vrijdag de elfde was de feestsfeer wel heel voelbaar. Jan ging die dag dan ook niet naar school, zoals de voorgaande dagen nog wel het geval was, want bij hem thuis op de gracht waren mensen uitgenodigd om naar de voorbijtrekkende stoet te kijken:<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>’s Ochtends een programma gekocht en de grachten op en neer gedrenteld om de versierselen der huizen te bekijken. Kistemaker en Praetorius hadden het op onzen gracht het mooist […]. Om 1 of 2 uur kwamen de genoodigde gasten. Het was zeer aardig om die tallooze menschen rond te zien woelen even als bijen. Om half 4 uur kwam de trein aan. 1e Kurassiers of liever Dragonders. 2e de helft van de eerewacht met den koning, die een leelijke baard heeft. 3e eene koets met twee paarden bespannen waarin de grootmeester der koningin gezeten was. 4e de Koningin met de kroonprins en prins Maurits in eene koets met acht paarden. 5e Dragonders. 6e de andere helft der eerewacht. Na dat dit was afgeloopen bleven de gasten nog eenigen tijd en gingen om 5 uur heen.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Overigens droeg Jan zelf op latere leeftijd net zo’n ‘lelijke’ baard als Willem III. Op zaterdag de 12e vond dan de daadwerkelijke inhuldiging in de Nieuwe Kerk plaats, zoals die ook vandaag de dag nog kon worden aanschouwd. Het enige verschil met nu is dat Willem III had besloten niet de baldakijn te gebruiken om van het Paleis naar de Nieuwe Kerk te lopen. Tevens was het voor het eerst mogelijk voor de leden van de Tweede Kamer om in plaats van de eed de belofte af te leggen. Jan leek aan de staatkundige betekenis van de inhuldiging weinig boodschap te hebben. Zoals hij de vorige dag zijn ogen al uitkeek bij de voorbijtrekkende koetsen en dragonders was het hem ook bij de inhuldiging vooral te doen om de pracht en praal:<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>De koning deed den eed op de Constitutie en de Tweede Kamer dien van trouw aan Z.M. Ik vond het zeer aardig om al de mooi gekleede dames en heeren naar de kerk te zien rijden.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
<div id="attachment_566" class="wp-caption aligncenter" style="width: 410px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/06/paleis1849.400.307.s.jpg" alt="" title="paleis1849.400.307.s" width="480" class="size-full wp-image-566" /><p class="wp-caption-text">Koning Willem III loopt van het Paleis op de Dam naar de Nieuwe Kerk.</p></div></p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
&nbsp;<br />
Later die avond bezocht hij met zijn vader de Hollandsche Komedie. Toen hij buiten kwam ving hij nog een glimp op van de nieuwe koning, die onderweg was naar de ‘G R O O T E I L L U M I N A T I E’ die plaatsvond op de Dam bij de beurs. Ook die was ‘zeer fraai’. Voldaan keerde Jan huiswaarts, waar hij soupeerde en om kwart over elf naar bed ging. Pas 49 jaar later, in 1898, zou Jan zijn tweede inhuldiging, en tevens het eerste vrouwelijke staatshoofd meemaken, toen de achttienjarige Wilhelmina officieel de troon besteeg.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=556</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De Atlantische Oceaan over</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=539</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=539#comments</comments>
		<pubDate>Thu, 25 Apr 2013 08:47:46 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=539</guid>
		<description><![CDATA[&#160; Het is niet twijfelbaar of hetgeen gij hier in handen hebt is een dagboek doch tusschen dagboek en dagboek is een onderscheid. De een beschouwd het zoo, den ander beschouwd het op een andere wijze. Om U hierin elken dag een récis te geven van: toen gingen wij eten, en, wij aten dat of [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/04/barkschip.jpg" alt="" title="barkschip" width="480" class="aligncenter size-full wp-image-549" /></p>
<p>&nbsp;</p>
<blockquote><p>Het is niet twijfelbaar of hetgeen gij hier in handen hebt is een dagboek doch tusschen dagboek en dagboek is een onderscheid. De een beschouwd het zoo, den ander beschouwd het op een andere wijze.</p>
<p>Om U hierin elken dag een récis te geven van: toen gingen wij eten, en, wij aten dat of dat; toen dronken wij een borreltje, en wij dronken dit of dat; enz, zou vermeen ik voor den geachten lezer of de lezeres nog al vervelend zijn. Daarom heb ik in dit dagboek, enkel mijne eenvoudige en welligt weinig beteekenenden aan- en opmerkingen gemaakt, en ik hoop dat ze hem of haar, die ze lezen mogt, welgevallig mogen zijn.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Franciscus Casparus Westerman jr. (1838-1890) vetrok in het holst van de nacht van 27 op 28 april 1865 uit Amsterdam op het barkschip <i>Minister Torbecke</i> van kapitein W.H. Kannegieter (?-1874) richting Buenos Aires. In zijn dagboek, dat de zes weken durende bootreis omspant, deed Westerman verslag van het reilen en zeilen aan boord van het schip dat hem naar de andere kant van de wereld bracht.</p>
<p>&nbsp;</p>
<blockquote><p>Doch hetgeen wij daarna zagen ten 8 ure des morgens, waren de krijtbergen aan de kusten van Engeland. Stelt U voor een gezicht naar de kust, en dat Gij niets ziet, dan ééne helder witte massa op eene uitgestrektheid van eenige mijlen, en dat daartegen de zon weêrkaatst; dat is een schouwspel, dat bij ieder even als bij de mij de uitroep zal ontlokken: God hoe oneindig groot zijt Gij toch!</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Al op de eerste bladzijden had Westerman uit de doeken gedaan dat hij het maar saai en oninteressant zou vinden om elke dag te schrijven wanneer zij aten, dronken en sliepen. Daarom richtte hij zijn aandacht voornamelijk op de wonderen der natuur die vanaf de boot te aanschouwen waren. Hij beschreef de vreemde vissen die voorbij zwommen en soms werden gevangen, en de wilde stormen waar de boot in terechtkwam. Hij verschilde hierin niet van andere negentiende-eeuwse reizigers die op reis ook veel aandacht besteedden aan hun omgeving en de onbekende landschappen. Desalniettemin vormt de waardering voor en de beschrijvingen van het zeelandschap onder de stedelijke reizigers een redelijk onderbelicht thema.</p>
<p>Tegen het einde van het dagboek, toen ze de Kaapverdische eilanden waren gepasseerd en er tot de eindbestemming niets dan open zee lag, schreef Westerman dan ook: &#8216;Wij naderen nu zoo lang zo meer de plaats onzer bestemming, en ik kan gul uit bekennen, dat het mij hoogst welkom is, daar de reis nu eentoonig wordt, wij zien niets meer dan water en lucht, geene bijzondere natuurverschijnselen; in een woord niets.&#8217;</p>
<p>Wanneer Westerman geen natuurverschijnselen te beschrijven had richtte hij zich op het uitleggen van allerhande technische aspecten van de reis, zoals het navigeren aan de hand van een kompas, het seinen met lampen en vlaggen naar andere schepen of de manier waarop men probeerde de wind in de zeilen te vangen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<blockquote><p> Waarschijnlijk zegt Gij, door het kompas; O, ja! Doch op het kompas staan geen banken, geene ondiepte; welnu daar voor heeft men kaarten; ook goed, doch hoe zijn zij op zee aangegeven? Wel door middel van tonnen en vuurschepen.</p>
<p>Tonnen weet Gij natuurlijk wat dat zijn, doch het laatste weet Gij welligt niet; en zij het mij dus vergund U dit eenigzints uit te leggen.</p>
<p>Vuurschepen zijn groote schepen, die midden in zee liggen, en in den top van de mast een groot, helder schitterend licht hebben. Op die schepen zijn 2 kapiteins geplaatst, die ieder op hun beurt dienst doen. De eene maand den een, de andere maand den ander, die geen dienst doet, gaat naar wal.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Wat Westerman in Buenos Aires ging doen, is onbekend. In zijn dagboek sprak hij van zijn &#8216;aanstaande vaderland.&#8217; Bij het stadsarchief staat hij echter bekend als bibliothecaris te Soerabaja. Helaas heeft hij te weinig archiefstukken nagelaten om zijn leven te reconstrueren. Desalniettemin is zijn reisdagboek interessant als bron, zonder al te veel te weten over de auteur. In de meeste reisdagboeken uit de negentiende eeuw die in de Nederlandse archieven bewaard zijn gebleven wordt er slechts sporadisch geschreven over transport en de vaak lange reizen die men aflegde naar de plaats van bestemming. Soms werd er nog wel een pagina, of in het beste geval meerdere, aan besteed, maar geen enkele reiziger zag de noodzaak om een compleet dagboek aan het alleen het reizen te wijden. </p>
<p>Ondanks het feit dat Westerman weinig bijzonders meemaakte op het schip, op een aantal uitzichten na die voor hem het bestaan van God leken te bevestigen, is het goed om ook eens deze kant van het negentiende-eeuwse reizen mee te maken. Opmerkelijk is dat Westerman zich, ondanks de meer dan zes weken durende reis, zich geen moment heeft verveeld. Vrijwel elke nieuwe zag zag hij positief tegemoet en was er de mogelijkheid tot weer een nieuwe ontdekking over de wereld om hem heen. Het terechtkomen in een ander werelddeel, waar een ander klimaat heerste en men werd geconfronteerd met een andere cultuur en allerhande exotische belevenissen was natuurlijk al bijzonder voor de meeste reizigers. Dit verslag laat echter zien dat zoiets ogenschijnlijk eentonigs als de bootreis die vooraf ging aan het grote avontuur ook al vol zat met nieuwe ervaringen die het waard waren op schrift gesteld te worden.</p>
<p>Het reisdagboek van Franciscus Casparus Westerman is te vinden in het Stadsarchief van Amsterdam, archief van de Familie Westerman en Aanverwante Families, inventarisnummer 411.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=539</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De Zuid-Afrikaanse belevenissen van een avontuurlijk jonkheer</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=492</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=492#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 03 Apr 2013 09:05:42 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=492</guid>
		<description><![CDATA[Vorige week hebben we kunnen lezen hoe jonkheer Hendrik van de Poll (1866-1947) in zijn autobiografie een kleine selectie had gemaakt van gebeurtenissen uit zijn vroege jeugd die tekenend waren voor zijn identiteit. Veel kon hij zich er echter niet van herinneren en ze namen dan ook maar één pagina in beslag. De rest van [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<div id="attachment_505" class="wp-caption aligncenter" style="width: 457px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/04/hendrik-en-aaltje.jpg" alt="" title="hendrik en aaltje" width="480" class="size-full wp-image-505" /><p class="wp-caption-text">Jonkheer Hendrik van de Poll en Aaltje van de Poll Ottens.<br />
<hr align="left" size="1" width="300" /></p></div>
<p><u><a href="https://history.mickeyhoyle.nl/?p=462">Vorige week hebben we kunnen lezen</a></u> hoe jonkheer Hendrik van de Poll (1866-1947) in zijn autobiografie een kleine selectie had gemaakt van gebeurtenissen uit zijn vroege jeugd die tekenend waren voor zijn identiteit. Veel kon hij zich er echter niet van herinneren en ze namen dan ook maar één pagina in beslag. De rest van zijn memoires, die de periode 1888-1900 bestrijkt, is  veel uitgebreider en biedt veel  interessants.</p>
<p>Over Hendrik van de Poll is uit andere bronnen vrijwel niets bekend. In biografische woordenboeken komt hij niet voor, evenmin wordt zijn naam in de beschrijving van het familiearchief genoemd. Des te gelukkiger is het dat we beschikken over zijn autobiografie, die een schat aan informatie bevat over de periode tussen zijn tweeëntwintigste en drieëndertigste, toen hij in Zuid-Afrika woonde.</p>
<p>&nbsp;</p>
<blockquote><p>
1886 van de H.B.S. af. Mama overleden. Kort daarna naar de Ruitenborg bij Dalfsen om iets van de boerderij te leren en het plan naar Zuid-Afrika te gaan. </p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Van de Poll had besloten het grote avontuur op te zoeken. Zijn archief bevat een aantal Zuid-Afrikaanse kranten uit de jaren 1880, waarin wordt bericht over de Boerenoorlog en de toestand waarin de Boeren waren achtergelaten. Net als andere Nederlanders  meende Hendrik de Boeren te moeten helpen met de wederopbouw.</p>
<p>Op 9 januari 1888 vertrok Van de Poll vanuit Engeland per boot naar Zuid-Afrika waar hij een maand later, op 8 februari, aan zou komen. Een maand lang trok hij rond en deed verschillende plaatsen aan waar hij op goed geluk werk probeerde te krijgen, wat helaas niet lukte. In maart kwam hij aan bij Groot-Suikerboschkop, een grote boerderij nabij het huidige Dullstroom en de uitvalsbasis voor de Nederlandse kolonisten die de Afrikaanse economie en de Boeren wilden steunen na de geleden verliezen. </p>
<p>Hier maakte Van de Poll hij kennis met J.H. Janson jr., hoofd van de Emigratie Maatschappij, die tot doel had Nederlanders in Zuid-Afrika aan een boerderij te helpen. Zo ook de avontuurlijke jonkheer die in juni van dat jaar samen met een man genaamd Tenzeldam-Ganswijk naar ‘de compagnie’ trok, een deel van Groot-Suikerboschkop, om een boerderij te beginnen.</p>
<p>Toen Tenzeldam-Ganswijk echter besloot te trouwen met een ‘Afrikaanse mooie’ werd het tijd voor Van de Poll om te vertrekken en nam hij zijn intrek bij W.C. Janson, die met zijn Boeren Handelsvereenigingswinkel de spil vormde in de nederzetting Dullstroom, waar Groot-Suikerboschkop onderdeel van was. Hier verdiende Hendrik zijn eerste geld met het uitgraven van een sloot.</p>
<p>Op 5 december 1889 bracht Hendrik een bezoek aan Aaltje Ottens, die hij toen ten huwelijk vroeg. Hij beloofde tot 11 december te wachten met de benadering van haar vader, maar ongeduldig als hij was, vroeg hij reeds de volgende dag om Aaltjes hand.<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>
Van toen af aan was het leven natuurlijk veel aangenamer. Ik begon, of was reeds begonnen, met de aanleg van de molen; op 10 januari 1890 werd de N.V. Hollandia opgericht, met mijzelf als directeur.<sup>1</sup></p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Verder werd een deel van de aandelen gekocht door de beide heren Janson, jonkheer J.C. van de Poll en H. de Neufville, en ook door een aantal boerenverenigingen en de Zuid-Afrikaanse Republiek.<sup>2</sup>  De molen bleek echter een moeilijker onderneming dan hij had verwacht. De fundering was niet goed aangelegd, waardoor alles uit het lood stond en de molen meer slijtage ondervond dan normaal. Ook waren de dam en het aquaduct niet goed aangelegd en vaak lek, waardoor de molen niet naar behoeven kon draaien.<br />
&nbsp;</p>
<div id="attachment_508" class="wp-caption alignleft" style="width: 464px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/04/hollandia.jpg" alt="" title="hollandia" width="480" class="size-full wp-image-508" /><p class="wp-caption-text">De N.V. Hollandia.<br />
<hr align="left" size="1" width="300" /></p></div>
<p>Intussen moesten Hendrik en Aaltje ook nog officieel trouwen, waarvoor de landdrost te Lydenburg toestemming moest geven. ‘Op een zekere dag’ vertrok Hendrik te paard naar deze landdrost, ene Janssen, die de datum van het huwelijk op 6 maart bepaalde. Maar toen Hendrik en Aaltje na een lange rit op 6 maart te Lydenburg arriveerden, bleek de landdrost niet aanwezig te zijn. Even leek het erop dat het huwelijk niet door zou gaan.<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>
Onmiddellijk zond ik een telegram naar Pretorie aan Dr. Leyde, toen staatsprocureur: ‘Ben hier om te trouwen. Landdrost afwezig. Landdrost Klerk geen huwelijksbevestiger. Wat te doen. Van de Poll.’</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
De volgende dag was de zaak geregeld en konden Hendrik en Aaltje trouwen. Die avond nog reden ze terug naar Groot-Suikerboschkop waar het personeel van de molen een groot feest had georganiseerd. Na het feest werden Hendrik en Aaltje naar hun nieuwe huis gebracht: een klein bescheiden gebouwtje nabij de molen dat gemaakt was van ijzeren platen en van binnen met katoen was bekleed.</p>
<p>Op 23 februari 1891 werd hun eerste dochter, Cornelia Abrahamina, geboren. In november 1892 volgde een tweede, Aaltje Geertruida. Op 22 mei 1894 werd hun eerste zoon, Abraham Nicolaas geboren in het nieuwe huis waarvan de eerste steen was gelegd door Cornelia, met de woorden ‘Vies, kakka’.<br />
&nbsp;<br />
<div id="attachment_512" class="wp-caption aligncenter" style="width: 690px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/04/huis.jpg" alt="" title="huis" width="480" class="size-full wp-image-512" /><p class="wp-caption-text">Het nieuwe huis van Hendrik en Aaltje.<br />
<hr align="left" size="1" width="300" /></p></div><br />
In 1893 werd de nederzetting Dullstroom door president Paul Kruger erkend als dorp, wat voor Van de Poll, de Jansons en de andere kolonisten een erkenning inhield van hun harde werk om de boerennederzetting uit te bouwen tot een welvarend dorp.  </p>
<p>Toen de inwoners op 1 januari volksspelen hielden kwam het nieuws van de inval van de Britse Leander Starr Jameson, die zo een opstand van de Britse arbeiders in Transvaal wilde uitlokken. De dorpelingen vluchtten naar Pretoria waar zij tien dagen verbleven tot het nieuws van de nederlaag van Jameson kwam. Dit was echter niet het eind van de gevechten. In 1899 brak de Tweede Boerenoorlog uit waarin ook de jonkheer vocht. Halverwege de beschrijving van een van de veldtochten stopt de autobiografie en daarmee komt ook een eind aan de kennis die we hebben over het leven van jonkheer Hendrik van de Poll in Zuid-Afrika. In zijn memoires staan nog een aantal gebeurtenissen die ik wegens ruimtegebrek niet heb opgenomen in dit stuk. Wellicht passeren deze later nog eens de revue.</p>
<p>Uit het archief, dat zeer omvangrijk is, valt wel meer op te maken over de periode na Zuid-Afrika. Zo verruilde Hendrik de Zuid-Afrikaanse nationaliteit die hij na de oorlog had gekregen weer voor een Nederlandse en werd hij in Nederland bibliothecaris van de Abraham Kuyperstichting. Daarnaast hield hij zich bezig met de genealogie van de familie Van de Poll, waarvan twee handgetekende stambomen het resultaat zijn. Ook zijn er nog talloze brieven in het archief bewaard, die bij nader onderzoek ongetwijfeld meer informatie zullen opleveren. Niets is echter zo uitgebreid als zijn negen pagina’s tellende memoires die een uitzonderlijke blik gunnen in de Zuid-Afrikaanse belevenissen van deze avontuurlijke jonkheer.</p>
<p>De autobiografie is te vinden in het Stadsarchief van Amsterdam, archief van de Familie Van De Poll, inventarisnummer 1644.</p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
<h6>
&nbsp;<br />
<sup>1</sup> Uit de statuten: &#8216;Het doel der vennootschap is a: het oprichten en exploiteeren van een molen voor het malen en pellen van granen en zaden en ter vervaardigen van bloem van meel en b: het drijven van een graan zaad en meelhandel.&#8217; (Stadsarchief van Amsterdam, archief van de Familie Van De Poll, inv. nr. 1869).<br />
<sup>2</sup> Uit de archiefstukken blijkt dat er 400 aandelen waren uitgegeven op naam, en dus onverhandelbaar. Hendrik van de Poll bezat 310 aandelen, Jonkheer J.C van de Poll en H. de Neufville beide 20, evenals de Nationale Boeren Handelsvereeniging en de Zuid-Afrikaanse Republiek en de heren Janson jr. en W.C. Janson beiden 5 stuks.<br />
</h6>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=492</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De autobiografie van Hendrik van de Poll</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=462</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=462#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 26 Mar 2013 08:45:31 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=462</guid>
		<description><![CDATA[&#160; In de afgelopen maanden zijn hier al verschillende soorten egodocumenten voorbijgekomen. Sommige hiervan waren geen egodocumenten in de letterlijke betekenis van het woord, maar interessante archiefstukken die de openbaarheid verdienen. Vandaag een type egodocument dat hier nog niet eerder werd behandeld: de autobiografie. Jonkheer Hendrik van de Poll (Amersfoort, 17 april 1866 &#8211; Utrecht, [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>&nbsp;<br />
In de afgelopen maanden zijn hier al verschillende soorten egodocumenten voorbijgekomen. Sommige hiervan waren geen egodocumenten in de letterlijke betekenis van het woord, maar interessante archiefstukken die  de openbaarheid verdienen. Vandaag een type egodocument dat hier nog niet eerder werd behandeld: de autobiografie. Jonkheer Hendrik van de Poll (Amersfoort, 17 april 1866 &#8211; Utrecht, 8 juli 1947) schreef over de periode 1866-1896 een korte autobiografie.<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>
&nbsp;<br />
HERINNERINGEN<br />
Van<br />
Jhr. H. Van de Poll.<br />
&nbsp;<br />
&nbsp;<br />
Volgens aantekeningen van mijn Vader werk ik geboren te Amersfoort, Singel D 46, op 17 april 1866, ’s-Namiddags ten 3 uur, als zesde kind mijner ouders. Gedoopt in de st. Joriskerk door Ds, van Hoorn op 27 mei d.s.v.</p>
<p>Wie zich voor mijn eerste levensdagen interesseert, leze die aantekeningen; ikzelf herinner mij niet daarvan.</p>
<p>Het eerste belangrijke feit was een hersenvliesontsteking tussen 20 juni en 6 juli 1869 (zie daarover het gedicht van mijn vader).</p>
<p>Op 28 maart 1870 overleed mijn vader te Amsterdam Van hem is mij niets bijgebleven, dan met hem spelend me een molentje, waarvan de wieken telkens afvlogen, in de huiskamer te Amersfoort en een bezoek aan zijn sterfbed.</p>
<p>In september 1874 vertrokken met mijn moeder naar Burgsteinfurt bij Bentheim; daar een kuur van 16 dagen gedaan tegen het stotteren en genezen teruggekomen. Dr. Den Hardt, zie zijn portret; in een hotel gelogeerd met abominabel slecht eten, o.a. tuinbonen met schil. De kuur bestond in het oefenen van de ademhaling voor het spreken, “Athmung ziehen”; het slot Bentheim bezocht en in het park gewandeld. Mijn Moeder tekent op 6 juni 1875 aan: “soms weer stotteren”.</p>
<p>Maart 1875 ongeluk. Ik liep met Kees en Chris Graswinkel in de Langestraat te Amersfoort en deed een leraar van de H.B.S. na, die met stijve benen liep. Net op het ogenblik, dat ik een stoep wilde opstappen gaf Kees mij een duw en viel ik met mijn neus op de stenen. Toen ik na mijn herstel weer op school kwam, noemden de jongens mij “Engelse bulldog”, omdat er een lelijk lidteken was achtergebleven.<br />
&nbsp;</p>
</blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Egodocumenten van kinderen zijn zeker niet onderbelicht gebleven op deze website. Zo citeerde ik  uit <a href="https://history.mickeyhoyle.nl/?p=47"><u>de schoolperikelen van Jeronimo de Vries</u></a>, <a href="https://history.mickeyhoyle.nl/?p=244"><u>het jeugddagboek van Jan Pijnappel</u></a>, <a href="https://history.mickeyhoyle.nl/?p=267"><u>de briefwisseling tussen Claude Daniel Crommelin en zijn vader</u></a>, en <a href="https://history.mickeyhoyle.nl/?p=348"><u>het dagboekje van de Jonkheer van Twickel</u></a>. Deze bronnen verschillen echter op een wezenlijk punt van de eerste fragmenten van de autobiografie van Hendrik van de Poll: ze staan boordevol informatie over een kindertijd die er later wellicht voor de auteur niet meer toe deed. Hendrik van de Poll schreef zijn autobiografie op latere leeftijd en maakt er allereerst melding van dat hij zich zelf niets meer van zijn vroege kindertijd kan herinneren; daarvoor moet hij zich op de aantekeningen van zijn vader beroepen. De gebeurtenissen die hij zich nog wél kan herinneren, zullen dus grote indruk op hem hebben gemaakt.</p>
<p>De autobiografie is in feite een door de auteur geselecteerde reeks herinneringen, waarbij het gissen is naar de belevenissen die niet aan het papier zijn toevertrouwd.  Zo is het genre van de autobiografie nog gekleurder dan anderssoortige egodocumenten soms al zijn, en daarom des te moeilijker te beoordelen door de lezer.  Deze heeft immers niet alleen met een hoofdpersoon te maken, maar ook met een subjectieve auteur.</p>
<p>In de vier jaar dat  Hendrik van de Poll zijn vader heeft gekend zal er ongetwijfeld sprake zijn geweest van het hele palet van opvoeding, inclusief plezier en straf), Maar kennelijk wil de auteur zich zijn vader alleen herinneren,als iemand die met zijn zoontje speelde. Hetzelfde geldt voor de tijd dat Hendrik op school zat: voor ieder kind en iedere tiener een periode vol hoogtepunten, maar ook een van sleur en verveling. De auteur kiest ervoor om zijn schoolperiode in één anekdote samen te vatten: het ontstaan van  zijn bijnaam, waar hij stiekem wel trots op zal zijn geweest. Een niet onlogische keuze – de gebeurtenis en zijn bijnaam voorzagen hem van een identiteit.</p>
<p>De autobiografie van Van de Poll is gedetailleerder naarmate de hoofdpersoon ouder wordt, en de auteur zich meer van het gebeurde kan herinneren. Hierbij wordt ook meer en meer plaats ingeruimd voor waardeoordelen. Later deze week zal ik dan ook een fragment plaatsen uit de periode dat Hendrik van de Poll naar Zuid-Afrika vertrok, een land waarmee  hij als directeur van de Maatschappij tot Exploitatie van grond en grondrechten in Zuid-Afrika lange tijd verbonden is geweest. </p>
<p>De autobiografie is te vinden in het Stadsarchief van Amsterdam, Archief van de Familie van de Poll, inventarisnr. 1644.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=462</wfw:commentRss>
		<slash:comments>1</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een liefdesgeschiedenis</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=448</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=448#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 18 Mar 2013 10:04:39 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=448</guid>
		<description><![CDATA[&#160; Wegens een klein gebrek aan onderzoekstijd volgt vandaag een gedicht. Het betreft hier geen egodocument, maar een dicht dat geschreven werd, door ene &#8216;N.N.&#8217; ter ere van het zilveren huwelijk van Andreas Willem Gerrit Boele van Hensbroek (1815-1895) en zijn vrouw Johanna de Jongh (1813-1899) in 1871. Andreas Boele van Hensbroek was Adjunct-Commies bij [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>&nbsp;<br />
Wegens een klein gebrek aan onderzoekstijd volgt vandaag een gedicht. Het betreft hier geen egodocument, maar een dicht dat geschreven werd, door ene &#8216;N.N.&#8217; ter ere van het zilveren huwelijk van Andreas Willem Gerrit Boele van Hensbroek (1815-1895) en zijn vrouw Johanna de Jongh (1813-1899) in 1871. Andreas Boele van Hensbroek was Adjunct-Commies bij het Departement van Justitie te Den Haag.</p>
<p>Geniet van het gedicht, en vanaf volgende week weer een mooi egodocument.</p>
<p>&nbsp;</p>
<blockquote><p>
&nbsp;<br />
Een liefdesgeschiedenis uit de 19e eeuw<br />
&nbsp;<br />
16 april 1871<br />
&nbsp;<br />
Komt Vrienden! Komt eens naderbij<br />
Hier, hier naar heen Mijnheeren en Mevrouwen<br />
‘k geef u de schoonste schilderij,<br />
Van liefde en echtegeluk te aanschouwen.<br />
Hier ziet ge Boele van vóór dertig jaar.<br />
Heel Amsterdam heeft ’t oog op hem geslagen,<br />
Hoe weeldrig golft des jonglings haar,<br />
‘s Lands hoofdstad mag er roem op dragen!<br />
&nbsp;<br />
Maar zie, daar trekt Adonis heen,<br />
Hij zal een wijder werkkring zich ontsluiten,<br />
Heel Amsterdam zingt weg in droef geween<br />
De Maagdenrij schreit tranen nu met tuiten<br />
Daar spoedt hij voort naar Java’s srand,<br />
Der posterij zal hij zijn krachten wijden,<br />
Maar niet voor ’t brandend Oost bestand,<br />
Moet hij daar steeds met ziekte strijden.<br />
&nbsp;<br />
‘Wat,’ spreekt hij, ‘toef ik langer hier<br />
‘Zal ik mijzelf nog verder dan verkniezen?<br />
&#8216;Neen, neen! K heb daarin geen pleizier;<br />
‘‘k Wil hier mijn leven niet verliezen!’<br />
Hij spreekt en gaat – Heel Neerland roept verheugd<br />
‘Daar is hij weer, de wijze en brave Boele<br />
‘Dat ieder juble nu van vreugd<br />
‘En – als hij kan – dat heil gevoele!’<br />
&nbsp;<br />
De Residentie lokt hem aan;<br />
Justitie wil zich op […] wreken;<br />
Ontsloten wordt hem de eerenbaan;<br />
Daar weet hij duchtig van te srpeken.<br />
Men vraagt hem nu op maaltijd en festijn<br />
Bij tal van vrienden en vriendinnen;<br />
Hij leert waar zooveel meisjes zijn –<br />
Er spoedig ook een van beminnen.<br />
&nbsp;<br />
Aanhoort, o vrienden! ’t Raar geval!<br />
Een schoone komt haar snoer te breken<br />
De kralen vliegen overal,<br />
En zij begint om hulp te smeeken,<br />
Daar treedt hij manlijk voort en zegt:<br />
‘O lieve! ‘k zal uw kraaltjes zoeken!’<br />
En ziet, hij brengt ze weer terecht<br />
Van kleed en blad en alle hoeken.<br />
&nbsp;<br />
Johanna voelt zich diep geroerd<br />
Voor zooveel liefde aan haar ebwezen.<br />
Die jongling, neen! Dat is geen ploert!<br />
Het is er een als uitgelezen.<br />
Zij drukt van dank nu Boele’s hand.<br />
Hij drukt terug en kust haar tevens –<br />
Gesloten is in ’t hart de band,<br />
Die hen verbindt op ’t pad des levens.<br />
&nbsp;<br />
Wat wonder dat ’t Geachte paar,<br />
Alras gezegend werd door lieve spruiten,<br />
Aanschouwt vooreerst het aardig Masje maar,<br />
En dan die andere vier kornuiten.<br />
Kom pieterbaas maak ons uw compliment,<br />
Hier willem met uw lieve Zusje Betje!<br />
Voltooi nu spoedig ’t regiment<br />
Gij kleine grappenmaakster Netje!<br />
&nbsp;<br />
Treed hij ook nader Oud-Mama!<br />
Ontvang den dank van als uw pogen.<br />
Uw lof daarvoor klonk vroeg en spa,<br />
Al blinkt een traan ook in uw oogen.<br />
Door u werd opgevoed, geleid,<br />
Geraden en ter hulp gevloden.<br />
U zij hun aller dankbaarheid<br />
Tot ’s levensiend nu aangeboden!<br />
&nbsp;<br />
Zie ’t zilver glanst door ’t groen nu heen;<br />
Het spreekt van vijf en twintig jaren!<br />
Hoe ras die lugge tijd verdween,<br />
Het echtheil is niet heen gevaren.<br />
Geluk, geluk zilver paar!<br />
Geluk, geluk met zooveel zegen!<br />
Leef lang, leef lang nog voor elkaar!<br />
Bekroond door ’s Hemels besten zegen!<br />
&nbsp;<br />
Smaak heil, smaak voorop […] op uw baan:<br />
Leef wel te vree, bevrijd van klagen!<br />
Eens breek’ het gouden echtfeest aan<br />
En siere kleinkroost de oude dagen.<br />
Het glas gevuld nu tot besluit,<br />
Ten boom gelegd; doet allen mede!<br />
‘Lang leef de Bruidegom en Bruid!!<br />
Dat is in ’t eind ons aller bede.
</p></blockquote>
<p>&nbsp;&nbsp;<br />
Dit gedicht is te vinden in Het Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Familie Boele van Hensbroek, Inventarisnummer 51.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=448</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een onbeantwoorde liefde</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=435</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=435#comments</comments>
		<pubDate>Fri, 01 Mar 2013 08:00:17 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=435</guid>
		<description><![CDATA[&#160; Waar Truus Dreesman afgelopen maandag nog een liefdesverklaring beantwoorde met een politiek correcte afwijzing blijft het gissen naar de afloop van de volgende liefdesverklaring. In het archief is geen antwoord bewaard gebleven, wat natuurlijk niet wil zeggen dat dit niet gegeven is. De toon van de brief is in ieder geval minder dwingend en [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>&nbsp;<br />
Waar Truus Dreesman afgelopen maandag nog een liefdesverklaring beantwoorde met een politiek correcte afwijzing blijft het gissen naar de afloop van de volgende liefdesverklaring. In het archief is geen antwoord bewaard gebleven, wat natuurlijk niet wil zeggen dat dit niet gegeven is. De toon van de brief is in ieder geval minder dwingend en zonder twijfel een stuk romantischer van aard.</p>
<p>&nbsp;<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>Beste Truce,&nbsp;<br />
&nbsp;</p>
<p>Niet zonder eenige schroomvalligheid waag ik het je door middel van mijne pen iets mede te deelen wat ik je zoo gaarne persoonlijk zou willen zeggen, maar helaas de tijd dat we eens alleen kunnen spreken is zoo kort en je om een onderhoud onder vier oogen te verzoeken durf en wil ik niet, wijl ik absoluut wil vermijden, dat je door mijne schuld eenige moeielijkheden zoudt krijgen en je weet het evengoed als ik, de menschen praten zoo gaarne zoo als je hebt kunnen merken en wat ik je trouwens ronduit gezegd heb, houd ik van e en dit is waarachtig waar.  Laat ik echter niet over die liefde spreken want dan zou ik ik bladzijden en bladzijden kunnen vullen, de mooiste verzen voor je opschrijven en de liefste woordjes onder je oogen brengen en die alles zou toch niets meer zegen als dat eene kleine zinnetje dat ik zoo gelukkig was je op de fiets te kunnen toefluisteren, ‘Truce ik houd van je’.<br />
Maar je bent nog zoo jong, als ik mij niet vergis 18 jaren en dat beteekent voor mij wachten, geduldig oegenen en hopen en toch in dat wachten zit voor mij één genoegen n.l. dat ik daardoor in staat gesteld word je te toonen dat mijne liefde werkeljk en waarachtig is. Slechts eene vraag, die je niet behoeft te beantwoorden, wil ik hier stellen. Mocht, ik durf het bijna niet hopen, je nu of later eenige genegenheid voor mij gevoelen, laat mij dit dan een weinig merken want je zult evengoed als ik begrijpen, wat het zeggen wil iemand lief te hebben waarvan je niet weet of merkt dat die liefde al of niet beantwoord wordt.</p>
<p>Door kleinigheden die niemand anders behoeft te vermoeden, kan men zo gaauw de genegenheid van iemand kennen.</p>
<p>Is dit te veel gevraagd?</p>
<p>Truce, ik hoop niet, dat je dit schrijven, wat ik zoo gaarne nog zou willen uitbreiden, eenigzins hindert of verdrietig stemt, ik bied je dan ook mijne verontschuldiging aan voor de vrijheid die ik genomen heb je dit epistel te doen geworden, maar er lag iets op mijn hart en dit wilde ik je mede deelen want werkelijk dit hart, dat tot heden altijd vrolijk en opgeruimd was, doet pijn als ik denk, dat het geluk mij zal ontzegd worden om jou te mogen beminnen.</p>
<p>Dag Truce, denk eens aan, maar vooral bid eens voor</p>
<p>&nbsp;<BR><br />
Je [...] Piet
</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
&nbsp;<br />
Jammergenoeg is het op een na laatste woord, een bijvoeglijk naamwoord waarmee hij zichzelf omschrijft, onleesbaar. Wie Piet is, blijft overigens ook een raadsel. Gezien de opmerking over Truus&#8217; leeftijd is ook deze aanbidder een stukje ouder. Desalniettemin scheen hij goede hoop te hebben dat Truus ergens diep van binnen ook wat voor hem voelde. We kennen inmiddels de geschiedenis, en weten met wie Truus uiteindelijk is getrouwd. Het is te hopen dat die arme Piet niet de rest van mijn leven achter Truus aan is blijven fietsen.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=435</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Een afgewezen liefde</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=412</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=412#comments</comments>
		<pubDate>Mon, 25 Feb 2013 11:49:33 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=412</guid>
		<description><![CDATA[&#160; Tijdens kerst 1910 kreeg Truus Dreesmann (1893-1992) een mysterieus briefje met de tekst ‘A happy Xmas time to you, wished by an unknown adorer’, ondertekend met een onleesbare paraaf. Twee dagen later, op 27 december, kwam een tweede bericht dat het eerste moest verduidelijken: &#160;&#160; &#160; Nijmegen 27 dec ‘10 &#160; Mejuffrouw, &#160; U [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/02/dreesmann-1024x774.jpg" alt="" title="dreesmann" width="480" class="aligncenter size-large wp-image-429" /></p>
<p>&nbsp;<br />
Tijdens kerst 1910 kreeg Truus Dreesmann (1893-1992)  een mysterieus briefje met de tekst ‘A happy Xmas time to you, wished by an unknown adorer’, ondertekend met een onleesbare paraaf. Twee dagen later, op 27 december, kwam een tweede bericht dat het eerste moest verduidelijken:</p>
<p>&nbsp;&nbsp;</p>
<blockquote><p>&nbsp;<br />
Nijmegen 27 dec ‘10<br />
&nbsp;<br />
Mejuffrouw,<br />
&nbsp;<br />
U hebt recht te weten wie U op Kerstavond zoo geheimzinnig een ‘zalig Kerstfeest’ toewenschte.<br />
Maar vóór allles: stuur mij niets terug. Daar houd ik niet van.<br />
De onderteekening zal U alles duideljk maken. Een beroep op Uwe discretie ten opzichte van m’n naam acht ik geheel overbodig.<br />
En een zeer dringend verzoek. Ik zou gaarne een verdere mondelinge opheldering geven. U zult me die toestaan.<br />
Mijn naam staat borg voor de discretie die ik in deze zaak zal betrachten.<br />
Morgenavond (Woensdag 28 dec) zal ik U tegen 7 uur wachten op de Broekhuizenstraat bij het Postkantoor. Ik vertrouw U daar zeker te ontmoeten.<br />
Vergeef me deze handelwijze. Zóó moet ik; ik kón niet anders.<br />
&nbsp;&nbsp;<br />
Met beleefden groet<br />
&nbsp;&nbsp;<br />
Hoogachtend<br />
&nbsp;&nbsp;<br />
André Müren<br />
&nbsp;&nbsp;<br />
Leerar Canisius College</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
De zeventienjarige Truus Dreesmann, telg uit de bekende handelsfamilie, was overrompeld door deze liefdesverklaring, die tevens een dringende toon had, en overlegde met haar ouders. De afzender was immers een leraar aan het lyceum, wat hem inderdaad voldoende reden gaf tot zijn eerdere anonimiteit. Het briefje maakt ook meteen nieuwsgierig naar de ‘verdere mondelinge opheldering’ die hij beoogde te geven, alhoewel de auteur eigenlijk al genoeg in zijn kaarten had laten kijken. Ook Truus was deze mening toegedaan en schreef de (geheime) aanbidder, ondanks zijn verzoek dit niet te doen, een briefje terug:<br />
&nbsp;&nbsp;</p>
<blockquote><p>&nbsp;<br />
Weled heer,<br />
&nbsp;<br />
Heden middag ontving ik Uw schrijven, en kan ik U na overleg met mijne ouders mede deelen, dar ik aan Uw verzoek niet kan voldoen, onder meer om de rede dat ik nog geen achttien jaar ben.<br />
Van discretie kunt U natuurlijk verzekerd zijn en hoop ook ik dat U op deze zaak niet verder zult terugkomen.<br />
U dankend voor de vriendelijke kerstmisattentie,<br />
&nbsp;&nbsp;<br />
Hoogachtend<br />
&nbsp;&nbsp;<br />
T Dreesmann</p></blockquote>
<p>&nbsp;&nbsp;<br />
Truus gaf een kort en bondig antwoord, doorspekt van zakelijkheid met een obligaat dankwoord aan het eind. Willemijn Ruberg merkt in haar boek <i>Conventionele correspondentie</i> op dat het vragen om <i>accès</i>, de toestemming om een met een meisje in het openbaar te verschijnen en te corresponderen eerst aan de beoogde huwelijkskandidaat was gericht, en later aan de ouders van het meisje.<sup>1</sup> In overleg met haar ouders had Truus dus besloten om het verzoek af te wijzen. De leraar was te oud, Truus was te jong, en waarschijnlijk had zij naast het leeftijdsverschil toch geen interesse in de man. Een blik in de huwelijkspatronen van de leden van de familie Dreesmann leert dat de meesten van hen trouwden binnen de zakelijke familie: vaak met een Vroom.</p>
<p>	Willem Vroom en Anton Dreesmann waren de naamgevers van het bekende, in 1887 opgerichte, warenhuis dat al snel een grote familiezaak werd waarin neven broers en ooms de ruimte kregen om, tegen afstaan van vijfitg procent van de aandelen, hun eigen filiaal op te zetten. Truus Dreesmann was een dochter van Nicolaas Dreesmann, de directeur van de eerste Nijmeegse vestiging en broer van Anton Dreesmann. Ze zou in 1912, op negentienjarige leeftijd dan ook trouwen met Bernard Vroom, de oudste zoon van Willem Vroom.</p>
<p>	Later deze week een tweede liefdesverklaring aan het adres van Truus Dreesmann, die helaas onbeantwoord bleef.<br />
&nbsp;&nbsp;<br />
De liefesbrieven zijn te vinden in het Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Familie Vroom, inventarisnummer 14. </p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
<h6>
&nbsp;<br />
<sup>1</sup> Ruberg, Willemijn, <i>Conventionele correspondentie, Briefcultuur van de Nederlandse elite, 1770-1850</i> (Nijmegen 2005).</h6>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=412</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Heftige emoties van een zanglerares</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=392</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=392#comments</comments>
		<pubDate>Tue, 19 Feb 2013 11:10:31 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=392</guid>
		<description><![CDATA[&#160; Catharina (Cateau) Esser (Amsterdam, 24 september 1858 – aldaar, 1 juli 1923) had in Amsterdam in 1895 de Vereeniging tot beoefening van Vocale en Dramatische Kunst opgericht. Op deze ‘applicatieschool’ konden leerlingen worden opgeleid in de kunsten van het zingen en acteren en alles wat daar nog meer bij kwam kijken, zoals het uitspreken [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/02/esser-916x1024.jpg" alt="" title="esser" width="480" class="aligncenter size-large wp-image-406" /></p>
<p>&nbsp;<br />
Catharina (Cateau) Esser (Amsterdam, 24 september 1858 – aldaar, 1 juli 1923) had in Amsterdam in 1895 de Vereeniging tot beoefening van Vocale en Dramatische Kunst opgericht. Op deze ‘applicatieschool’ konden leerlingen worden opgeleid in de kunsten van het zingen en acteren en alles wat daar nog meer bij kwam kijken, zoals het uitspreken van vreemde talen en schermen. Voor de in Duitsland en Parijs opgeleide zangeres bleek het runnen van de school geen sinecure, waar ze in haar dagboek zeer emotioneel over schreef:</p>
<p>&nbsp;</p>
<blockquote><p>&nbsp;<br />
Tuesday, February 4, 1898<br />
&nbsp;<br />
Neen, ik ben nog geen voortreffelijke Directrice. De “idealiste” is nog te sterk in me. Ik moet om tot een heerlijke oogst te komen nu eerst nog veel meer zaaien. Scherp en streng toezien op het alleréérste begin in elke afdeling van onze lessen.<br />
Bij uitvoeringen order en regelmaat, streng de hand houden aan geregelde oefeningen. Het is alles zo moeilijk hier omdat ik eigenlijk alles  creeeren [sic] moet &#8211; - &#8211; </p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Esser schreef haar notities op in een voorgedrukt Engels dagboek waar per dag een pagina ruimte was om te schrijven. Veel pagina’s zijn leeg, of bevatten slechts een korte zin die haar gemoedstoestand, dan wel preoccupatie verraden, zoals op 20 februari 1898: ‘Is een leven zonder liefde denkbaar?’.</p>
<p>In 1994 schreef Astrid Harteloh haar doctoraalscriptie over de dagboeken en het leven van Cateau Esser, om hiermee een blik te gunnen in de ontwikkelingen rond de school van Esser en de theaterwereld van het fin de siècle.<sup>1</sup> Uit de biografie die zij hierin heeft opgetekend blijkt al dat het leven van Esser niet zonder tegenslagen was. Ondanks haar opleidingen in het buitenland bleek zij als concertzangeres in Nederland weinig succesvol, wat voor haar de belangrijkste tegenslag moet zijn geweest. En ook haar school kon, ondanks de prominente figuren die zich er aan hadden verbonden, ook niet op lof van een ieder rekenen.<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>&nbsp;<br />
Hoe heeft nu die ellendige critiek al mijn hoog streven en werken weêr neêrgehaald. Hoe arm, hoe eenzaam voel ik me. Hoe ben ik het mikpunt van de onnoembare hatelijkheden, de jalousie van allen die mijn werk met afgunst gadeslaan. Ik voel me ellendig.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Dit schreef Esser op 15 mei 1898 in reactie op een felle kritiek van André Jolles in De kroniek over de uitvoering van Rhopopis door de Vereeniging op 5 mei 1898. Hierin noemde hij Esser een ‘dame van middelbare leeftijd, die bezig is de serie twaalf ambachten en,  laat ons dit tot veler heil hopen, ook de hiermee dertien ongelukken door te maken.’<sup>2</sup></p>
<p>Een dag later schreef Esser het volgende in haar Dagboek: </p>
<p>&nbsp;</p>
<blockquote><p>&nbsp;<br />
Mag toch niets toonen. Eigenlijk niet eens aan mijn besten vriend.<br />
Arm moedertje. Gij wilt en gij kunt uw kind niet begrijpen. Mijn gevoelsleven lijd [sic] zo ontzettend veel. En ik moet zwijgen, zwijgen. En daarbij werken, werken, eeuwig voort. Beleedigingen ruwheden verdragen. Vrouw, echt vrouw zijn en toch het leven met mannenmoed doorworstelen. Me buigen? Politiek zijn? – Mèt de mensen willen meêdoen of fier eenzaam zijn – Wat zal nu weêr verder over me komen. Ik ben op ’t oogenblik zoo echt vrouw, ben zoo week,, zoo mat, zoo moe.<br />
’t Is zo innig laag  me zóó te beleedigen, mij zóó aan te tasten in mijn gemoedsleven.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
En Jolles was niet de enige die kritiek uitoefende op Esser. Ook de toneelschrijver en criticus Ternooy Apèl, die onder het pseudoniem Bram van Dort schreef, had weinig op met Esser en verwerkte haar in zijn sleutelroman <i>Komedianten</i> uit 1904 als Dora Nieuwlicht, een rijzige, manipulatieve vrouw die slechts uit is op financieel voordeel om haar school voor vocale en dramatische kunst op te zetten.<sup>3</sup></p>
<p>Ondanks de vele tegenslagen zette Esser door. Haar school zou echter na 1920 een langzame dood sterven. Het aantal gevorderde leerlingen nam af en nog voor Essers eigen dood stond het pand te koop. Haar dagboeken stammen uit de roerige eerste periode van de school, waarin haar meer dan genoeg tegenwerking werd geboden door figuren als Apèl en Jolles. Het is niet duidelijk hoe het haar later verging, maar ondanks dat zijn haar dagboeken uniek. Zelden ben ik in mijn zoektochten een dagboek tegengekomen waarin in zo onverbloemd over emoties wordt gesproken. Slechts in het ziektedagboekje van Dr. Brants gunt de schrijfster een korte blik in haar lijdensweg, maar niet in de mate waarin Esser dat deed. Lapte Esser de conventies van het dagboekschrijven aan haar laars en schreef zij letterlijk op wat ze voelde? Of was zij een aanstelster die het leven überhaupt niet kon verdragen en hiermee wellicht om aandacht smeekte van een onbekend publiek? Hoe dan ook biedt het een meer dan interessante blik in het gevoelsleven van een negentiende-eeuwse vrouw.</p>
<p>De twee dagboekjes zijn te vinden in Aletta Instituut voor Vrouwengeschiedenis:<br />
Esser, Cateau, egodocument 1898, 1900, EGO/13 A-B schaduwarchief 3<br />
&nbsp;</p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
<h6>
&nbsp;<br />
<sup>1</sup> Harteloh, Astrid, <i>Niets ben ik volkomen, een documentair-kritische deeluitgave van de dagboeken van Cateau Esser</i> (1898 en 1900) (Amsterdam 1994).<br />
<sup>2</sup> Kroniek 4 (1898) nr. 176, 148-149.<br />
<sup>3</sup> Harteloh, Astrid, &#8216;Reddende Engelen&#8217;, <i>Literatuur: tijdschrift over Nederlandse letterkunde</i> 14 (1997) afl. 6, 340-346.</h6>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=392</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>Album voor Roosje</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=596</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=596#comments</comments>
		<pubDate>Sat, 02 Feb 2013 09:34:28 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=596</guid>
		<description><![CDATA[In 1902 maakte de Nederlandse amateurschilder Theodore van Lelyveld (1867-1954) samen met zijn vrouw een reisje naar Corsica. Omdat hun dochter niet meeging, maakte Theodore een reisverslag voor haar, dat op meer dan één manier een mooi beeld schetste van hun vakantie. &#160; We logeren in het hôtel Schweizerhof en krijgen op de 3e verdieping [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p>In 1902 maakte de Nederlandse amateurschilder Theodore van Lelyveld (1867-1954) samen met zijn vrouw een reisje naar Corsica. Omdat hun dochter niet meeging, maakte Theodore een reisverslag voor haar, dat op meer dan één manier een mooi beeld schetste van hun vakantie.<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>We logeren in het hôtel Schweizerhof en krijgen op de 3e verdieping een kamer aan de voorzijde  met balkon, waarop we een verschrikkelijk mooi uitzicht hebben: beneden de tuin met palmen en oranjebomen, lager op de helling riante, witte villa’s tussen bloeiende mimosa’s en rozen, en verderop de stad, de citadel, maar het mooist van alles de prachtige baai van Ajaccio, de groen-blaauwe baai, van een doorzichtig emerald en ultramarijn en die zich uitstrekt ver, met een groote zwaai langs de kust tot aan kaap Muro die omzoomd wordt door een blauwig, golvend silhouet van verre, verre bergen.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
De auteur neemt zijn lezers me op reis. Wie dit leest staat naast hem op het balkon van zijn hotel en kijkt mee de verte in: naar de villa’s, de rozen en die prachtig golvende zee. Het was precies de bedoeling van reisverslagen om deze gevoelens op te wekken bij hen die het lazen, of dat nou vreemden, familie, of de auteur zelf was.</p>
<p>	Hoe heerlijk het ook is om even weg te dromen, de ervaren lezer van egodocumenten herkent de vaste patronen en zal deze beschrijving weinig bijzonder vinden. Ware het niet dat de tekst niet, zoals gebruikelijk, op zichzelf stond, maar vergezeld werd door vakantiekiekjes die de auteur zelf had geschoten. Daar waar hij het uitzicht vanaf het balkon beschreef vindt men op de andere pagina een foto van dat uitzicht. Even goed bestuderen: jahoor, witte villa’s, een mooie baai en in de verte die bergen. De auteur zoog het niet uit zijn duim en maakte het ook niet mooier dan het was.<br />
&nbsp;<br />
<div id="attachment_601" class="wp-caption aligncenter" style="width: 517px"><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/07/ajaccio.jpg" alt="" title="ajaccio" width="480" class="size-full wp-image-601" /><p class="wp-caption-text">Het uitzicht van Theodore van Lelyveld</p></div></p>
<hr align="left" size="1" width="33%" />
&nbsp;<br />
	Behalve dat dit de historicus de mogelijkheid biedt om het waarheidsgehalte van de bron nader te onderzoeken duidt het op een nog belangrijker ontwikkeling in de geschiedenis van reisverslagen. Voordat men de mogelijkheid had om zelf foto’s te maken, diende de vaak schilderachtige tekst ter illustratie. Alleen door zo nauwkeurig mogelijk de vergezichten te beschrijven konden reizigers duidelijk maken wat zij hadden gezien. Door middel van taalgebruik visualiseerden de reizigers hun ervaringen. Met de opkomst van de fotografie, die zeker vanaf het laatste decennium van de negentiende eeuw dankzij technische ontwikkelingen makkelijker beschikbaar werd, werd het ook mogelijk om door middel van beeld te visualiseren zonder dat men daar een landschapsschilder voor hoefde te zijn. </p>
<p>	De parralellen en verschillen tussen geschreven en gefotografeerde reissouvenirs zijn een onderbelicht thema binnen de reisgeschiedenis. Met deze leemte in het achterhoofd heb ik een aantal maanden geleden een voorstel ingediend bij het Rijksmuseum, waar vanwege het Manfred &#038; Hanna Heiting Fonds twee plekken beschikbaar waren voor onderzoek binnen de fotocollectie van het Rijksmuseum. Deze beurs heb ik toegekend gekregen en ik zal me daarom het komende half jaar gaan storten op de avonturen van Dolph Kessler, een jonge werknemer van Shell die op werkreis ging naar Japan, China en Amerika en daar foto’s van maakte. Vanaf volgende maand zal ik wekelijks proberen uit de enorme collectie van egodocumenten en fotoalbums in het Rijksmuseum een mooi exemplaar te selecteren en hier plaatsen.</p>
<p>Het hele <i>Album voor Roosje</i> zoals Van Lelyveld het reisverslag annex fotoalbum had genoemd is te raadplegen in het Rijksprentenkabinet, plaatsnummer RP-F-2009-283.test </p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=596</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
		<item>
		<title>De Geiranger Fjord</title>
		<link>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=380</link>
		<comments>https://history.mickeyhoyle.nl/?p=380#comments</comments>
		<pubDate>Wed, 23 Jan 2013 09:22:07 +0000</pubDate>
		<dc:creator>Mickey Hoyle</dc:creator>
				<category><![CDATA[Project Egodocumenten]]></category>

		<guid isPermaLink="false">https://history.mickeyhoyle.nl/?p=380</guid>
		<description><![CDATA[&#160; In 1881 maakte Willem Jacob Backer (1829-1898) op 52 jarige leeftijd een reis door Denemarken, Zweden en Noorwegen, samen met zijn neef Johan Ferdinand Backer (1856-1928). Tijdens deze reis had hij vooral veel aan te merken op het regenachtige weer en de narigheid die dat veroorzaakte, maar gelukkig waren er ook positieve aspecten aan [...]]]></description>
			<content:encoded><![CDATA[<p><img src="https://history.mickeyhoyle.nl/wp-content/uploads/2013/01/geirangerfjorden_ppc-loc1.jpg" alt="" title="geirangerfjorden_ppc-loc1" width="480" class="aligncenter"/></p>
<p>&nbsp;<br />
In 1881 maakte Willem Jacob Backer (1829-1898) op 52 jarige leeftijd een reis door Denemarken, Zweden en Noorwegen, samen met zijn neef Johan Ferdinand Backer (1856-1928). Tijdens deze reis had hij vooral veel aan te merken op het regenachtige weer en de narigheid die dat veroorzaakte, maar gelukkig waren er ook positieve aspecten aan de Scandinavische landen, zoals de fjorden, die de meeste negentiende-eeuwse Nederlanders niet eerder hadden aanschouwd. Of had het misschien wat enthousiaster gekund?<br />
&nbsp;</p>
<blockquote><p>&nbsp;<br />
De vaart op de Geiranger fjord was zeer beloonend, de wederzijds hoog en nagenoeg loodrecht opstijgende rotswanden, met sneeuw gekroond, zijn zeer imposant, terwijl de van alle kanten neerstortende kleine en grote watervallen daaraan zeer veel levendigheid bijzetten. Onder de laatste komen de Zeven gezusters voor welke naam wordt gegeven aan vier naast elkander en hoog neerstorende watervallen.<br />
Deze fjord behoort tot de mooiste punten die wij bezocht hebben.</p></blockquote>
<p>&nbsp;<br />
Scandinavië was voor de negentiende-eeuwse Nederlander vrijwel onontgonnen gebied. Pas vanaf de jaren tachtig is verschijnen de reisjes naar de Scandinavische landen in het reiscurriculum van de elite, grotendeels mogelijk gemaakt door treinverbindingen en stoomboten. En zelfs dan was het nog een dure onderneming, blijkt uit de uitgaven van Willem Jacob Backer: per dag gaf hij  per persoon gemiddeld 34 gulden uit, wat vandaag de dag gelijk zou staan aan een bedrag van 400 euro. De reis duurde 49 dagen waarmee de kosten neerkwamen op een astronomisch bedrag van 1667 gulden, ofwel bijna 20.000 euro. Hier bovenop kwamen nog de ‘aankoopen voor cadeaux’ ter waarde van 637 gulden, ofwel 7500 euro.</p>
<p>Ondanks de relatieve onbekendheid van het Scandinavische landschap lijkt Willem Jacob Backer minder enthousiast over het aanblik van de fjorden dan men zou verwachten. Gedurende de gehele negentiende eeuw trokken reizigers graag naar Zwitserland om daar het sublieme gevoel te ervaren bij het aanschouwen van de onvatbaar hoge bergen die men in het eigen vlakke land niet kende. De gemengde gevoelens van onbehagen bij zo iets groots, en waardering voor het schone liet menig reizigers niet onberoerd.</p>
<p>Willem Jacob Backer lijkt echter een tikkeltje blasé over het schouwspel aan fjorden en watervallen, dat zich voor hem ontvouwde, en sloot die dagaantekening zelfs af met de opmerking: ‘de gehelen dag was de lucht bedekt maar droog.’ Nergens is uit op te maken dat Backer al eerder in Noorwegen was geweest, en in vergelijking met andere reisverslagen waarin de schouwspelen der natuur worden beschreven is de beschrijving van de Geiranger Fjord toch op zijn minst  wat lauw te noemen.</p>
<p>Vindplaats: Korte beschrijving van de reis gedaan door W.J. Backer, vergezeld door zijn neef J.F. Backer, door Denemarken, Zweden en Noorwegen, Stadsarchief Amsterdam, Archief van de Familie Backer, inventarisnummer 311A.</p>
]]></content:encoded>
			<wfw:commentRss>https://history.mickeyhoyle.nl/?feed=rss2&#038;p=380</wfw:commentRss>
		<slash:comments>0</slash:comments>
		</item>
	</channel>
</rss>
